
Peter Bakker
Zandtransport
Bij het ter sprake brengen van de zoutwagens is al opgemerkt dat de RET door de keuze van het materieeltype een andere weg was ingeslagen dan de andere trambedrijven. Daarnaast mag echter ook het zandtransport tussen de verschillende depots als een voor dit bedrijf karakteristiek onderdeel worden aangemerkt.
Tot 1965 werden in zanddrooginstallaties in de remise Hillegersberg en Kralingen jaarlijks ruim 150 ton gefilterd scherpzand gedroogd, voor gebruik als remzand voor de tramrijtuigen. Dit zand werd met zandtransportwagens naar de verschillende remises vervoerd.
Al in de beginjaren van de RET werden in de Centrale Werkplaats twee paardentramrijtuigen verbouwd tot zandtransportaanhangwagens. Deze wagens, die evenals het wat later in dienst te stellen materieel met een jakobsladder via een luik in het dak konden worden volgestort. ontvingen hierbij de nummers 2101 en 2102. Net als hij de slijpwagens werd enkele jaren later ook bij dit vervoer omgeschakeld op de inzet van motorwagens: in 1935 werden hiertoe de op dat moment al bijna dertig jaar oude motorrijtuigen 101 en 107 tot zandtransportmotorwagens 2401 en 2402 verbouwd. Deze wagens beschikten aan weerszijden over drie losopeningen, waar de zandemmers konden worden gevuld, waarmee de zandvoorraad van de motorrijtuigen weer op peil kon worden gebracht.
Na de bevrijding beschikte de RET nog steeds over het genoemde viertal en gaf de verdeling over de verschillende depots het volgende beeld te zien.
remise Kralingen: 2101,
remise Hillegersberg: 2102,
remise Delfshaven: 2401,
remise Charlois: 2402.

Aanhangrijtuig 2102, zandtransportwagen met motorrijtuig 187, Kootsekade, 28-10-1944 (verzameling: Jan van Driel)
Na de sluiting van remise Charlois voor de normale dienst in 1952 werd de inmiddels op leeftijd geraakte 2102 afgevoerd. Om ook de tweede aanhangwagen te kunnen afstoten, moest vervanging komen. In 1957 verscheen de tot zandtransportmotorwagen 2403 verbouwde Parkwagen 192 op het toneel. Dit in de nieuwe, diepgroene tint uitgevoerde, in 1921 door Allan gebouwde motorrijtuig, dat aan weerszijden slechts van één uitstroomopening was voorzien, werd in remise Delfshaven gestationeerd: de 2402 vertrok op dat moment naar Hillegersberg en de 2401 bleef in Kralingen gehuisvest.
Zandsilowagens
In 1963 werden de twee inmiddels sterk verouderde zandmotorwagens andermaal door aanhangwagens vervangen. In dit geval betrof het twee zandsilowagens die de nummers 2411 en 2412 kregen en ieder over twee zandcontainers beschikten, die samen ruim zeven ton zand konden bevatten. Deze voertuigen werden respectievelijk toegewezen aan remise Kralingen en Delfshaven; de 2403 werd op dal moment naar remise Hillegersberg overgeplaatst. Na de sluiting van remise Delfshaven in 1967 werd ook de 2412 naar Kralingen gedirigeerd. zodat deze remise vanaf dit tijdstip dus over beide zandsilowagens beschikte.
In de jaren zeventig vond er een uitbreiding van hun taak plaats: omdat er hij het ondergieten van tramsporen. waarbij de rails op een harde steunlaag van kunststof komen te liggen, een nuttig gebruik kon worden gemaakt van remzand, kon men de zandwagens op gezette tijden ook hij nachtelijke spoorvernieuwingen zien assisteren. Toch was op dat moment al weer de situatie ontstaan waarin het aantal zandtransportwagens het aantal remises overtrof en het verleden had reeds geleerd dat dit op termijn niet zonder gevolgen kon blijven. Niettemin duurde het tot het najaar van 1982 alvorens het evenwicht zich weer herstelde: kort nadat de 2411 naar Hillegersberg was gesleept. werd de 2403 aan de Rotterdamse afdeling van de TS overgedragen om daar een metamorfose te ondergaan, tegengesteld aan die in 1957.

Aanhangrijtuig 2412, Zandsilowagen, Burgemeester F.H. van Kempensingel, 4-11-2010
Zo konden in de afgelopen jaren de beide nog resterende remises elk van hun eigen zand-silowagen gebruik maken. In het laatste stadium, toen beide depots inmiddels over een eigen zandsilo beschikten, werden de silowagens op gezette tijden hieruit bijgevuld, waarna zij dan vervolgens op een centraal punt in de remise werden opgesteld. Vooral in het najaar, wanneer de wielen als gevolg van vallende bladeren de neiging vertonen om bij het optrekken of afremmen door te slippen, zijn er vaak aanzienlijke hoeveelheden remzand nodig. Op hoogtijdagen kwam het incidenteel zelfs wel voor dat zo'n wagen naar een strategisch punt binnen het tramnet wordt vervoerd, zodat de bestuurders op locatie hun zandvoorraad konden aanvullen.
Inmiddels zijn ook deze wagens, die in de wandeling als ‘peper- en zoutstellen’ worden aangeduid en gelukkig nimmer hun ondertussen bijna nostalgische beschildering van weleer hebben verloren, in remise Hillegersberg onder de paraplu van de stichting RoMeO gekomen.
Overige transporten
Naast het berijdbaar houden van de sporen is het voor een elektrisch trambedrijf eveneens van belang de bovenleiding in een goede conditie te. houden. Vanwege hun veel grotere wendbaarheid wordt echter hij werkzaamheden aan de bedrading al van oudsher de voorkeur gegeven aan de inzet van niet railgebonden voertuigen: in de eerste decennia had men hiertoe de beschikking over houten karren met een montageopbouw, die door paarden moesten worden voortgetrokken, in latere jaren deden bovenleidingmontageauto's hun intrede.

Bovenleiding werkwagens Koninginnebrug, 1929 (verzameling: Henk Mertens)
Wel werden na beëindiging van de motortramdienst naar Overschie in 1928 nog twee motortrams tot bovenleidingmontagewagens verbouwd, maar deze verdwenen al snel weer van het toneel: de eerste werd in 1933 aan de HTM verkocht en de tweede kwam enkele jaren later buiten dienst te staan, waarna de ambitieuze plannen om dit rijtuig te verbouwen tot museummotorwagen schipbreuk leden. Beschikten deze wagens tenminste nog over een eigen voortbewegingsmechanisme, dit kan niet gezegd worden van de montageaanhangwagen op spoorwielen. die nog uit de eerste beginjaren van de elektrische tractie dateert en waarvan het voortbestaan nimmer officieel ter discussie heeft gestaan. Deze 4,15 m hoge, verrijdbare montagestelling werd tot halverwege de jaren zeventig ingezet bij de aanleg van de bovenleiding bij een nieuwe vrije haan (Boergoensevliet) of bij de reparatie van een draadbreuk op een moeilijk bereikbaar punt Hofplein-circuit): de aan- en afvoer vond over de weg plaats. Na de komst van de montageauto's met spoorwielen in 1976 kreeg het voertuig officieel de status die het eigenlijk al veel eerder toekwam: die van museumobject. De instroom van nieuwe bovenleidingmontageauto’s op spoorwielen had overigens tot gevolg dat de uiterst vage plannen om de 536 en 537 tot bovenleidingmontagemotorrijtuigen te verbouwen definitief naar het rijk der fabelen werden verwezen. De RET beschikte tussen 1937 en 1955 ook nog over een bovenleidingingmeetwagen. Hiertoe werd tot viermaal toe een juist aan de reizigersdienst onttrokken motorrijtuig van een provisorische montagestelling voorzien: in volgorde van opkomst betrof dit de rijtuigen 127 (1937), 162 (1940), 171 (1946) en 179 (1951).

Haspelwagen, 23-5-1954
Bij werkzaamheden aan de bovenleiding wordt de nieuwe draad afgewikkeld van een haspel. Voor het transport van deze haspels waren aanvankelijk speciale houten karren aanwezig, die door een paard moesten worden voortgetrokken. Ook dit vervoer ging in latere jaren geleidelijk over naar het automaterieel en ook hier beschikt de RET sinds 1930 over een haspelwagentje op spoorwielen voor elektrificatiewerkzaamheden op voor het wegverkeer ontoegankelijke plaatsen.
Inmiddels is dit wagentje al geruime tijd niet meer gesignaleerd en voor zijn lot moet dus worden gevreesd.
Het laatste voertuig dat hier nog een bespreking verdient is de tweeassige open transportlorrie, die in 1957 door de Centrale Werkplaats van de RET op het onderstel van een Parkwagen werd gebouwd ter vervanging van een zelfde, nogal wrakkig exemplaar. Deze bakwagen, die aanvankelijk ongenummerd was, maar tegen het einde van 1967 nummer 2413 kreeg, kan door het neerklappen van de zijschotten en het afnemen van de kopwanden tot een platte wagen worden getransformeerd. Zijn werkzaamheden variëren van het vervoer van wacht¬huisjes naar zandvlakten, die voor alle wegverkeer onbereikbaar zijn, via het verrichten van promotionele activiteiten voor derden tot het fungeren als een verrijdbare stelling voor een camera, waarmee de interpretatie van het werk van een trambestuurder door een bekend televisieacteur kon worden vastgelegd. Daarnaast werd de 2413 op gezette tijden ook nog voorzien van een sproei-installatie ten behoeve van de onkruidbestrijding. Voor zover de hiermee samenhangende activiteit op de Linker Maasoever plaatsvonden, werd het rivierkruisende traject weer over de weg afgelegd.
Het zal geen verwondering wekken dat ook deze wagen inmiddels alweer bijna tien jaar geleden de museumstatus heeft verworven.
Zo is in de achter ons liggende jaren door een veelheid aan oorzaken het eertijds omvangrijke werkwagenpark van de RET danig afgeslankt: reden er rond 1970 nog zo'n 45 rijtuigen in de 2000-nummering rond, thans is dit aantal eigenlijk tot nul gereduceerd. Zoals uit het bovenstaande blijkt is een zeker niet te verwaarlozen aantal voormalige werkwagens in diverse museumbestanden opgenomen. Dit zou voldoende moeten zijn om te voorkomen dat de herinnering aan dit toch zo karakteristieke materieel in de toekomst wat al te snel op de achtergrond zal geraken!
©Rotterdams Openbaar Vervoer Museum ©All rights reserved
Website developed by SIER Activiteiten